Sneeuwwit haar en in het rood gekleed. Het sprookje komt dichterbij, zoekt een tafeltje tegenover mij, plooit haar mantel zorgvuldig over de stoelleuning en gaat zitten. Ik schrijf verder, maar kan het niet helpen dat ik steeds naar haar kijk. We zitten veilig tussen duizenden boekenruggen en zachte muziek. Zij krijgt haar koffie, het koekje stuurt ze meteen mee terug. Vriendelijk en beslist. Ze drinkt een eerste slok. De koffie is goed. Ze staat recht en wandelt naar het boekenrek vlak naast mijn tafeltje. Roald Dahl woont hier. Zij kiest: “De heksen.” Gaat opnieuw zitten, drinkt een slok en bladert. Ik zie hoe ze glimlacht, gniffelt en een paar bladzijden verder schatert. Een jonge vrouw knuffelt haar. “Dag oma.” En dan leest oma voor: “Omdat ze geen nagels aan haar vingers heeft. In plaats van nagels heeft ze dunne gekromde klauwen, net als een kat en ze draagt handschoenen om die te verbergen. Maar ja, heel wat keurige dames dragen handschoenen, zeker ‘s winters, dus zoveel heb je daar niet aan.” “Heerlijk toch, kind?” “Hoe gaat het met je, oma?” ” Vandaag heel goed, gisteren te veel gewandeld. Ik moet leren om naar mijn lichaam te luisteren, ik ben tenslotte al 87.” Ik blijf kijken. Onze ogen komen elkaar tegen. En dan trekken ze hun handschoenen aan en wandelen samen door de boekengangen terug de winter binnen.
Verhuizen
In de stille tuin zoek ik de plekken waar straks de lente bloeit. Te fragiel om uit te graven. In sommige perken alleen maar onkruid, comfortabel genesteld met de air van een vaste plant. De notenboom knipoogt. “Inpakken,” lijkt hij te zeggen. In de kamers wonen verhalen van vroeger en nu, die kan ik niet alleen laten. Een doos vullen voor de kringloopwinkel, dat moet lukken. Misschien ook twee. Verdriet mag mee, zachtjes verpakt in dun papier om nu en dan te omarmen. Zoveel mensen die ik graag zie, ze passen niet in een verhuiswagen. Wat met de taal, de stapels wondere woorden? Ze hebben mijn maat. Ze blijven graag.
Voor iedereen een vlotte verhuis naar 2025. Bergen liefs, geloof, hoop en gezond verstand om stevig vast te houden en uit te delen.
Kunst
Elke zaterdag vroeg mijn schoonmoeder naar de strijk. De eerste keer aarzelde ik, niet omdat ik het per se zelf wilde doen, maar wel omdat er nogal wat verfrommeld wasgoed in de mand woonde. Maar ze vond het niet erg, of deed alsof. De weken daarna verstopte ik de hemden en broeken met kreukels in de kast. “Is dat alles, kind?” “Jaja, dat is alles.” Een leugentje om bestwil dat ik elke week herhaalde. Ik strijk intussen al vele jaren zelf met mijn eigen strijkregels: zo is Cecilia Bartolli mijn strijkvriendin en galmt haar stem door het huis als ik bezig ben. Nog een ritueel, klinkt beter als slechte gewoonte: ik strijk tot iedereen weer kan functioneren. Soms stop ik na zes hemden en vier broeken of eerder, als mijn man roept dat de koffie klaar staat. Nu en dan graai ik doorheen het wasgoed en vind een blouse waarvan ik het bestaan helemaal vergeten was of een verdwaalde sok. Dat begreep mijn schoonmoeder ook niet, hoe het kon dat ik zes rechtersokken had zonder wederhelft. Vandaag kijk ik naar een collectie van opeengestapelde stukken. Twee manden. Ik stapel alles op elkaar en kijk naar een wiebelende berg. In een museum heet zoiets een installatie. Misschien kan ik een workshop organiseren:”Kunst in een mand.” Met of zonder museumkaart, iedereen is welkom om een stuk uit de mand op te diepen en te strijken. Ik zet de voordeur alvast op een kier. Op de bodem van de installatie vind ik een bordeauxkleurig kunstwerk, roerloos uitgestrekt: het tafellaken voor de feestdagen. Handenvol stof en moeilijk om te strijken. Koffie en taart serveren voor een mogelijke kandidaat of. Ik twijfel. Het duurt nog even vooraleer het Kerstmis is. Ik plooi het laken op en trek de deur dicht.
Geld
De radiomevrouw praat over slapend geld. Onmiddellijk draai ik de volumeknop naar rechts. Hier wil ik het fijne van weten. Mij lukt het niet om mijn geld aan het slapen te krijgen. Vanaf het ogenblik dat de biljetten de ritssluiting horen, vliegen ze naar buiten. Ze voelen zich thuis in boekenwinkels, theaterzalen, op rommelmarkten en in tweedehandswinkels. Op een terras knisperen ze van geluk. Grenzen spelen voor mijn geld geen rol en dan bedoel ik uiteraard de landsgrenzen. Als ik de radiomevrouw goed begrijp, is slapend geld van iemand die tegelijkertijd niemand is. Geen reactie, geen mail, brief of telefoontje. Je geld slaapt als er gedurende vijf jaar geen actieve verrichting meer is geregistreerd, dus onaangeroerd op een rekening staat. Nu ben ik wel in het bezit van een slapend schaap, een porseleinen dier waar ik nu en dan een biljet in stop. Het schaap woont al langer dan vijf jaar bij mij.
Vanochtend rinkelde de telefoon. De bankdirecteur. Heel even denk ik dat hij een slapende rekening van mij gevonden heeft en dat hij me dat goede nieuws persoonlijk wil vertellen of zou hij het weten van het schaap? Maar neen, hij vraagt naar mijn man en wil een afspraak maken om te praten over nieuwe beleggingen. Ik mag mee.
Beloftevol
“The Voice,” mijn dochter houdt van het programma. Ze kijkt, luistert, oordeelt en wacht, hoopt dat de stoelen van de juryleden op het juiste ogenblik de paardenmolendans uitvoeren. Ik moet haar een berichtje sturen of bellen vanavond, omdat ik vermoed dat er een vervolgconcept in de maak is. Waarom ik dat denk? De laatste weken wordt het straatbeeld opgevrolijkt door foto’s van vrouwen en mannen. Zondagse jurk aan, strak in het pak, een opgeblonken lach vastgeplakt op een rechthoek fineerplaat. Sommige kandidaten herken ik van een quiz of een verkleedpartij op televisie, van anderen lees ik de naam voor het eerst. Ook de titels van de nummers staan op de borden. Muzikaal talent langs velden en wegen. Goedemorgen, morgen, wat een keuze. Ik parkeer in de buurt van een fotogalerij. Kwestie van me goed voor te bereiden op het uitbrengen van mijn stem. “Altijd aan jouw kant,” rijmt op strand. “Samen naar het strand,” lijkt me leuker. Wat denk je van “Het is Vooruit of achteruit.” Een perfect nummer voor huppelpasjes op een schoolfeest. ” U heeft al genoeg betaald.” Volgens mij strooit de zangeres met muntjes tijdens het refrein. “Kiezen voor zekerheid,” alleen maar zekerheid vind ik eerder saai. Het kan natuurlijk ook dat de pointe verstopt zit in de strofen. Spannend afwachten. “Voor Vlaamse welvaart.” Zo sluit je een deel van het publiek uit, terwijl cultuur net verbindt. Nog twee beloftevolle foto’s bestuderen. “Enkel met groen.” Spinaziegroen? Kikkergroen? Inktgroen? De laatste titel is een doordenkertje:”Morgen doen werken.” Stel dat alle kandidaten zich samen met Pommelien Thijs een weekend in een afgelegen kasteel afzonderen en daar hun nummers smelten tot één lied. Wat een vernieuwend concept. Ik zie het al helemaal voor me: “Samen naar het strand, altijd aan jouw kant. Welvaart, niet alleen in maart. Gegarandeerd spijt van alleen maar zekerheid. Groen groen grasje, de stemmen in mijn tasje. U straalt, heeft al genoeg betaald. Morgen is er weer een dag, werk ze. Vooruit en achteruit, van je ene, twee, hupsakee.” Straks bel ik mijn dochter.
Vogelhuisjes
In een straat in onze stad staat een metershoge, slanke paal met erbovenop een zilverkleurig huisje. In het huisje woont een verkeersvogel die knipoogt bij overtreden snelheid, meer dan vijftig kilometer per uur. Voor elke knipoog vraagt hij 53 euro. Mij was de nieuwe attractie volkomen ontgaan. Met als gevolg twee briefomslagen met een Gemene Administratieve Boete. Stiekem hoop ik nog dat mijn man op die dag, op dat ogenblik achter het stuur zat. Jammer, maar helaas, mijn agenda liegt niet. Van nu af aan let ik op, rijd in de bewuste straat maar dertig en wuif naar de bewoner van het huisje. Opgelost. Gisteren plofte er opnieuw een omslag in de brievenbus, post van de vogel. 53 euro. Even overweeg ik om de brief te beantwoorden, maar dan zie ik een vijftal vogels in de tuin. Ze pikken gulzig in het gras, veroveren de takken van de notenboom en fluiten een lentelied. Een tweetal vliegt in en uit ons vogelhuisje. Ik knipoog.
2023
Op een januari wordt een meisje geboren, tweeduizend drieëntwintig is haar naam. Bedolven onder warme wensen begint ze aan haar leven dat driehonderd vijfenzestig dagen zal duren.
In januari ziet ze hoe mensen elkaar lachend omarmen, hoe een groepje sneeuwklokjes giechelt en de toverhazelaar langzaam geel kleurt. Dat er altijd wel ergens een oorlog bloedt, staat op een van de wenskaartjes en of zij er iets aan kan doen. Ze gaat zitten op de tijd en denkt na.
Misschien brengt februari raad. Te kort, te koud en te nat. Het vechten blijft duren en huizen brokkelen in elkaar. Ze ziet hoe twee meisjes naar een wolk zwaaien en hun geheimen vertellen aan de maan.
In maart leest ze verbaasd en vol ongeloof artikels over het grote gelijk. Niemand die ziet dat de lente uit de grond kruipt. Ze gaat zitten op de tijd en denkt na. Misschien kan ze een gedicht sturen naar de kranten of op bezoek gaan bij “De afspraak?”
In april en mei besluit ze om alleen maar blije dingen op te zoeken. Ze ziet hoe de meisjes op hun buik in het gras de reis van een lieveheersbeestje volgen. Het bestaat nog, denkt ze weer, geluk.
Intussen oefenen politici voor stand-upcomedian en komt oud verdriet wekenlang op televisie. De wolken huilen mee en de straten lopen vol met water.
In de zomervakantie worden de twee meisjes vriendinnen, ze knuffelen, brengen hun baby’s naar de crèche en gaan in Brussel werken. Ze eten fruit op stoeltjes in de tuin en bladeren in hun boeken.
September komt en nieuwsgierige kinderen luisteren op school naar prachtige verhalen.
In oktober en november kreunt en wankelt het jaar, niet voorbereid op zoveel loopgravenverdriet en lege kinderschoenen. De herfst probeert te troosten en strooit gul met oranjerood. Tweeduizend drieëntwintig gaat opnieuw op de tijd zitten en denkt na.
Ze vindt schoonheid in theaterzalen en proeft prachtige zinnen. Ze bestelt een koffie met slagroom, zuigt aan haar chocola en houdt haar pen stevig vast.
En dan begint december, de laatste strofe van haar leven. De straten blinken van kerstgeluk. De wapens zijn moe en zwijgen even. Op televisie kan je de slimste mens ter wereld worden. Zie je wel, denkt ze, het komt goed. En voor tweeduizend vierentwintig schrijft ze op een gouden kaart: als je goed kijkt, is het de moeite waard.
Misschien
Als je wil, zet ik me naast je en lezen we over de schildpad die de salamander helpt, want daar heb je vrienden voor en over moederuil die wegvliegt, over het meisje dat met de maan wil spelen. Misschien kan jouw papa de maan vangen, moeilijk, maar misschien kan het. Gelukkig bestaat misschien. Zolang er misschien is, kan je hopen. Leven met misschien is lichter en zachter, zoals het veertje dat op het gras ligt, lang, smal en streelzacht. Misschien lezen we de boekjes nog eens, want de schildpad helpt de salamander twee keer, moederuil is nog niet terug thuis en het meisje blijft vragen naar de maan. Misschien bestaat er water om de brandjes te blussen. Afschuw blussen, mensen die overkoken blussen, bommen blussen. Als moederuil terug is, zal ze misschien een plek zoeken voor alle straatliggers, in het groene zomergras dichtbij de huisboom. Misschien komt de maan naar beneden voor een goed gesprek of om te schijnen op bange kindergezichtjes ver weg en toch zo dichtbij. Want daar heb je vrienden voor. Misschien.
Geuren proeven
Of ik die geur mag proberen? Ik slik nog net het woord proeven in en wijs naar boven. Zij spritst een paar keer op een smal kartonnetje. En ik ruik en ruik, zoek naar een woord uit het parfumjargon om te vertellen dat deze geur niets is voor mijn man. Ik wijs een tweede flacon aan en een derde. We evolueren van zwaar naar licht en zacht. Dan verdwijnt ze en laat me alleen met een aantal briefjes in mijn handen. Vol goede moed blijf ik snuffelen en weet al gauw niet meer welke ronkende namen ik in mijn handen houd. Zij komt terug met nog een probeersel. “Lekker,” zeg ik. “Ja, echt lekker en zacht en licht.” Ik heb goed opgelet. Als ik vraag hoe deze geur heet, zwijgt ze. “Dat zeg ik niet, als je de geur goed vindt, maakt de naam niets uit.” Vreemd, maar ze heeft een punt. Toch wil ik weten welke geur mijn neusgaten vult. “J’adore,” zegt ze en ze kijkt me aan. “Dior,” antwoord ik. Zij knikt. In de winkel hangt een bord op met een belofte: “Twintig procent korting op bijna alle geuren.” Dior doet mee. Of de aangegeven prijs de prijs met korting is, vraag ik beleefd. “Ja, ik heb alle prijzen aangepast, er zijn mensen die niet kunnen tellen.” “Wat een werk,” probeer ik mee te leven. “Valt mee, duurt een uur, als er geen klanten komen.” Ik krijg zin om zonder zachte, lichte geur te vertrekken, maar beloof haar om Dior mee te nemen. “Kopen, bedoel ik.” “Dat had ik wel begrepen.” Nu glimlacht ze en wikkelt Dior in een glanzend papier. Zij zoekt mijn naam in het klantenbestand en ik reken af. Dan overhandigt ze mij een proefje van een bloemige geur en een serum voor de huid +50, staat op de verpakking. Zichtbare resultaten na zeven dagen en een jongere look na een maand. Je t’ adore, denk ik nog en ik wens haar een mooie dag.
Het zomert
Het zomert.
Bloemen dragen bontgekleurde jurken
pronken met hun armen wijdopen
golven spelen het vertrouwde spel van eb en vloed
strooien met wat schelpen
de meisjes fladderen de vlinders achterna
ze bouwen luchtkastelen en serveren
thee in minuscule kopjes
vragen wat doodgestorven is
en of zij nu voor altijd in de aarde woont
of het daar warm genoeg is
of ze daar pasta eten
ze bakken taarten met schelpenogen
schuilen in een huis van lakens onder de notenboom
en lachen tot het bedtijd is
in het museum kijken fluistermensen naar stille schilderijen
een ingekaderde vrouw leest een boek
ze zit aan de keukentafel
glimlacht
lijkt op mijn moeder.
Het zomert
ook zonder haar.